1

De dag dat ik verdween

“Achter de wolken schijnt de zon”


# De dag dat ik verdween

Patiënt meldt zich met een essentieel gevoel van leegte. Geen aanwijsbare trigger. Geen life event. Diepste niveau van depressieve stoornis met dissociatieve trekken.

"Achter de wolken schijnt de zon."

— Nederlands spreekwoord, herkomst onbekend

Mijn ex-vrouw versprak zich ooit op dit cliché. Het was een rotdag — niet alleen die dag, maar de meeste in die periode. Ze probeerde mij iets opbeurends te zeggen. Het cliché kwam eruit. Ze versprak zich op één letter.

"Achter de wolken schijt de zon," zei ze.

Ik keek haar aan. Ik had iets aardigs terug kunnen zeggen. Ik had de verspreking kunnen negeren. Hoffelijke partners doen dat soms. Ik kon het niet laten.

"Daar zou ik het ook doen als ik de zon was."

Ze begon te lachen. Ik begon te lachen. De rotdag duurde nog even. Maar net iets minder rot.

Daar staat dit hoofdstuk over. Niet over de verspreking. Wel over waar de zon is als je hem niet ziet. Wat er achter de wolken gebeurt als wij niets zien. Of: wat er bij ons gebeurt als we niets meer zien.

* * *

De nacht

2016\. Een datum, geen gevoel. Want het zou ook 2017 kunnen zijn. Misschien al deels eind 2015. Het ding met een echte bodem is dat de chronologie wegvalt. Je weet niet hoe lang je er al bent. Je weet alleen dat je er bent.

Ik lig in bed in mijn ouderlijk huis. In het kamertje dat niet van mij was. De kamer die overbleef nadat mijn broer het huis uit was en mijn moeder mijn oude kamer erbij had getrokken — niet uit pesterij, gewoon uit huishoudelijke logica. Mijn oude kamer was ruimer. Ze had iets ruimers nodig. Klopt. Maar dat betekende ook: ik kwam thuis en sliep in een kamer die nooit van mij was. Een kamertje uit reserve. En mijn ouders waren oud en versleten. Negentig en vijfentachtig. Ze konden mij niet meer redden.

Mijn broer had een eigen leven. Iedereen had een eigen leven. Iedereen behalve ik.

Wat ik in dat kamertje voelde was geen depressie meer. Depressie kent in elk geval contouren — een zwartheid die je kunt aanwijzen, een gewicht waar je een woord voor hebt. Wat ik voelde was leger dan dat. Geen angst meer ook. Angst kent een object — je bent bang voor iets, ook als dat iets vaag is. Wat ik voelde was alleen leeg.

De leegte was niet pijnlijk. Dat is het griezelige. De pijn was weg. Het verdriet was weg. De angst was weg. Wat overbleef was: niets. Niet "het komt wel goed." Niet "het wordt nooit meer wat." Geen verhaal meer. Geen plot. Een man in een kamer die niet van hem is, met een laptop naast hem, en geen reden om eruit te komen.

Ik kan dat nu opschrijven. In 2016 kon ik het niet. In 2016 was er niemand om het tegen te zeggen. Mijn ouders sliepen. Mijn broer was lang. Mijn vrouw was er niet meer, of nog wel, het maakte op dat moment niet uit. Mijn dochter was te klein om te weten.

En toen — en hier wordt het gek — dacht ik die ene zin die nooit meer weg is gegaan.

Lager dan dit kan niet.

Het was geen troost. Het was geen besluit. Het was geen gebed. Het was wiskunde. Statistiek. Vanaf hier kan het cijfermatig alleen nog maar omhoog.

Het was zonder warmte. Maar het was waar.

En in die kale waarheid — niet sentimenteel, niet hoopvol, gewoon: dit is het nulpunt en alles wat hierop volgt is per definitie meer dan dit — ontstond iets dat ik later, achteraf, een keuze ben gaan noemen. In het moment voelde het niet als een keuze. Voelde het ook niet als opluchting. Voelde het als opmerken. Een man die voor het eerst sinds maanden iets opmerkte.

De keuze klinkt achteraf groot. Hij was klein. Van glas-halfleeg naar glas-halfvol. Niet uit overtuiging. Niet uit innerlijke kracht. Uit rekenkundige noodzaak.

En in dat moment heb ik ook de tweede gedachte gehad die niet meer weg is gegaan. Als ik hier ooit uitkom, dan wil ik weten waaróm ik eruit ben gekomen, en hoe. En dat ga ik delen. Niet uit altruïsme. Uit een soort plichtsbesef dat alleen iemand voelt die net iets te lang in een kamer heeft gelegen die niet van hem was.

Acht jaar later schrijf ik dit boek.

* * *

Waarom de bodem geen één moment is

Als ik het zo opschrijf — lager dan dit kan niet, vanaf hier omhoog — dan klinkt het als één moment. Dat was het niet.

Een echte bodem is geen punt. Het is een dal. Je weet niet wanneer je er aan komt en je weet niet wanneer je eruit bent. Je merkt het alleen achteraf, als je terugkijkt en je realiseert: het is een tijd geleden dat ik iets dergelijks heb gevoeld. Dat is dan een gunstig teken. Maar in het dal zelf weet je niets. Daar is geen tijd. Daar is geen verwachting. Daar is alleen vandaag, en vandaag is hetzelfde als gisteren.

Ik schrijf het zo expliciet op omdat ik niet wil meedoen aan de mythe dat herstel begint met een doorbraak-moment. Bij sommige mensen misschien wel. Bij mij niet. Bij mij begon herstel met een opmerking. Een eenzame, kale opmerking in een kamertje. Statistisch gezien. En na die opmerking ben ik nog maanden in datzelfde dal gebleven. Wat erover veranderde was alleen dat er, in mijn binnenste, ergens een richting bestond. Een wijzer. Niet vooruit. Maar tenminste niet meer omlaag.

Mini-college — innerlijke veiligheid als Laag 0

In de psychologie spreken ze tegenwoordig over innerlijke veiligheid als basis voor alles wat daarboven komt. Geen genoeg ontwikkelde basis, dan houden de bovenliggende lagen — gedrag, cognitie, relaties — geen stand. Stephen Porges noemt het de neurale verwachting van veiligheid: een ingebouwd verwachtingsapparaat in je zenuwstelsel dat, vanaf de eerste dagen, leert of de wereld vertrouwd is of niet.

Wie als baby een onvoorspelbare omgeving heeft gehad — niet noodzakelijk slecht, soms gewoon onvoorspelbaar — komt met een lichaam dat continu op uitkijk staat. Niet bewust. Reflectief.

De polyvagaaltheorie van Porges deelt het zenuwstelsel op in drie standen: veiligheid & verbinding (ventrale vagus), mobilisatie & verdediging (sympathisch), en shutdown (dorsale vagus — bevriezen, leegte, dissociatie). De avond in mijn ouderlijk huis was geen depressie in fight/flight. Het was shutdown. Het lichaam dat geen vluchtweg meer zag en daarom besloot zich onzichtbaar te maken.

De manier eruit, leerden Porges en collega's, is niet rationeel. Stop met somber denken werkt niet — je zenuwstelsel verstaat geen werkwoord. Wel werken: zachte stemmen, prosodie, ogencontact, ademhaling, ritme, lichaamsbeweging. Het kale handschoen-feit dat als je laag genoeg zit, je niet uit je hoofd komt — je er alleen uit komt door je lichaam terug onder je te krijgen.

Het cliché bevestigd

Achter de wolken schijnt de zon.

Een vlak cliché. Een afgekloven cliché. Tot je hem nodig hebt.

De waarheid van dit cliché is geen romantische. Het is een astronomische. De zon schijnt altijd. Hij is fysiek aanwezig achter de wolken. Of wij hem zien doet er voor de zon niet toe. De zon is.

Toegepast: de mogelijkheid van een ander gevoel dan dit gevoel bestaat altijd. Niet dat je hem voelt. Niet dat hij er is voor jou nu. Maar dat hij ergens, ergens, in een latere week of een ander uur, weer beschikbaar is. Achter deze wolken. De zon weet dat niet. De zon doet alleen wat hij doet. Maar de zon is er.

Een troost die wegloopt zodra je hem omarmt. Een troost waar mijn vrouw zich op versprak, en die juist door die verspreking hilarisch werd, en juist daardoor binnenkwam.

Daar staat dit hoofdstuk over.

📖 LEES

De nacht in het ouderlijk huis, in een kamertje dat niet van hem was. De laptop. De leegte zonder pijn. De rekenkundige opmerking "lager dan dit kan niet." De belofte die voor zichzelf werd uitgesproken, zonder publiek. Het begin van dit boek dat acht jaar later op tafel ligt.

🔬 WEET

Innerlijke veiligheid als Laag 0: voorwaarde voor alles wat daarboven komt. Polyvagaaltheorie (Stephen Porges, 1994): drie zenuwstelsel-standen — veiligheid, verdediging, shutdown. Wat in volksmond op een dieptepunt zitten heet, is in zenuwstelseltaal dorsale-vagus-dominantie. Geen besluit. Een biologische rem.

🎬 GENIET — film

Black Swan — Darren Aronofsky (2010). Een ballerina die zo perfect wil zijn dat ze zichzelf wegvaagt. Perfectionisme als zelfdestructie. Wie het kijkt vanuit Deel I van dit boek, ziet het stille pad waarop ook ik even ben gelopen: jezelf zo afwezig maken dat je niet langer iemand bent die fouten kan maken.

Alternatief: Requiem for a Dream (2000) — niet als drugsfilm maar als studie van wat we doen om de leegte niet te voelen. Vier mensen, vier vluchtroutes. Geen overleeft het.

🎵 LUISTER — muziek

Black Hole Sun — Chris Cornell, in de akoestische Howard Stern-versie (2007). Geen producer, geen band, alleen een man met een gitaar. Cornell maakte van een gitaar-rocknummer een biecht. Black hole sun, won't you come and wash away the rain. Wie alleen de plaatversie kent, mist het. Beluister de live-versie. En denk eraan dat Cornell zelf, een paar jaar later, zou kiezen om niet meer te wachten op de zon.

🧩 PUZZEL

Het nulpunt. In de wiskunde is nul niet "niets" — het is een referentiepunt. Alles meet zich ten opzichte van nul. Een thermometer kent geen negatief tot er nul is. Een schaal kent geen positief tot er nul is.

De vraag voor dit hoofdstuk: als jouw dieptepunt het nulpunt is, vanaf wanneer telt de winst? Reken het uit. Als je nu een 3 staat (op een schaal -10 tot 10), en je was op -10, dan ben je dertien punten omhoog gekomen. Dat is meer dan iemand die van 5 naar 8 ging. Driemaal meer. Het dieptepunt is niet het einde — het is het moment waarop je begint te tellen.

🔧 DOE — oefening

De Nulpuntmeting. Pak een vel papier. Schrijf op: wat heb ik nu? Niet wat je mist. Niet wat je zou moeten. Alleen: wat is er fysiek, materieel, mentaal aanwezig? — Een bed. — Een laptop. — Een ademhaling. — Een vinger die deze pen vasthoudt. — Een dak. — Vier muren. — Een aantal mensen — niet veel, en niet altijd dichtbij, maar wel ergens. Inventariseer. Niet beoordelen. Niet vergelijken. Alleen tellen. Bewaar het papier. Over een maand maak je dezelfde lijst en kijk je wat er bij is gekomen.

✍️ SCHRIJF — reflectievraag

Wanneer was jouw nulpunt? En wat was het eerste dat je zag toen je omhoog keek?

Wat ik in die nacht in dat kamertje, op die laptop, niet wist, en wat ik nu — acht jaar later — vermoed: de zon zat achter de wolken. Ergens. Hij is altijd ergens. En soms is een verspreking van iemand die van je houdt, genoeg om eraan herinnerd te worden.

In het volgende hoofdstuk verschuiven we van de leegte naar wat er gebeurt als de leegte plaatsmaakt voor angst — niet als gedachte, maar als lichaam.

← Terug naar (over) leven