Epiloog

De jongen van elf


# De jongen van elf

Ik weet niet wat er van Cindy en Bianca is geworden. Ik heb ze nooit meer gezien. Ze zijn vrouwen geworden, ergens, met of zonder kinderen, met of zonder elkaar nog in de buurt. Ik wens ze het mooiste.

Wat ik wel weet, en wat ik niet meer kan kwijtraken nu ik dit boek heb geschreven, is dit:

Die jongen van elf die met volle overtuiging, met volle congruentie, met volle natuurlijkheid, met geen greintje arrogantie tegen het verkeerde meisje zei dat ze straks naar hem toe zouden komen — die jongen is er nog steeds.

Niet als herinnering. Als aanwezige.

Hij heeft de afgelopen jaren niet veel te zeggen gehad. Hij is, in het lawaai van werk en pijn en juridische dossiers en pillen en therapie en kinderzorg en relatieruzies, ondergesneeuwd. Maar hij is niet weg gegaan. Hij wachtte. Niet uit verongelijktheid — uit geduld dat hij ergens, op de boerderij van zijn jeugd, in een Westfries dorpje, langs de IJsselmeerdijk, had meegekregen.

De afgelopen weken merkte ik hem terug. Niet als emotie. Als blik. De manier waarop ik soms iets aankijk en denk "dat is mooi", zonder verder commentaar. De manier waarop ik een onbekende een glimlach geef en daarna doorloop, zonder berekening. De manier waarop ik op een avond bij Joyce zit en bij haar zit, in plaats van bij mijn telefoon te zitten. De manier waarop ik nu, op dit moment, dit schrijf — niet om iets uit te leggen, om iets te delen.

Hij is er. Hij heeft me al die tijd vergezeld. Ik ben hem ondertussen alleen niet meer tegen gekomen, omdat ik te druk was met iemand worden waarvan ik dacht dat ik die moest worden.

Ik heb hem niet hoeven worden. Ik was hem al.

* * *

Mijn vader, Jan, is op 2 oktober 2025 overleden. Mijn moeder, Maryka, leeft nog. Mijn broer leeft. Mijn dochter Anika leeft. Joyce leeft. Mijn vrienden — niet veel, niet luidruchtig, wel trouw — leven. Ik leef.

Wat een vreemd woord is dat eigenlijk — leven. We zeggen het over mensen die nog op een grafsteen wachten. We bedoelen er een ondergrens mee. Maar het mooiste van het woord is dat het ook een werkwoord is. Iets dat je doet, niet alleen iets dat je bent.

De jongen van elf wist dat al, zonder dat hij het kon formuleren. Hij leefde. Hij was niet eens bezig met de vraag of hij leefde. Hij was bezig met een tweeling. Met een afspraakje. Met zijn moed. Met het verkeerde meisje aanspreken en er mee wegkomen.

Hij is wat ik probeer te zijn, op een normale dag, op mijn negenenveertigste, met al wat ik weet en alles wat ik nog niet weet.

Hij is wat dit boek probeert door te geven — niet aan u, want u heeft uw eigen jongen of meisje. Wel aan u: het bestaan van zo'n jongen, of zo'n meisje, in u, ergens, wachtend op een terugkeer.

* * *

Het mooiste dat je kan worden is jezelf.

Daar staat dit boek over.

Ga mee op reis met mij.

Of liever — ga mee op reis met die jongen of dat meisje van elf, in u zelf. Ik ben slechts gids geweest naar de eerste afslag.

De rest van de wandeling is van u.

Tot ziens.

← Terug naar (over) leven