5

Humor als zuurstofmasker

“Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd”


# Humor als zuurstofmasker

Patiënt maakt veelvuldig gebruik van humor als copingmechanisme. Differentiaaldiagnostisch te overwegen: vermijding van affect. Adviezen aan therapeut: humor niet ontmoedigen — gebruiken als ingang.

"Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd."

— Nederlands spreekwoord, ook toegeschreven aan Sébastien-Roch Nicolas de Chamfort

Toen ik in het ziekenhuis lag na de suïcidepoging, kwam er een verpleegkundige langs die de monitor controleerde. Ze keek naar mijn arm — het infuus, het pleister, mijn hand — en zei: "Heeft u nog ergens pijn?"

Ik zei: "Eigenlijk vooral aan mijn ego."

Ze keek op. Ze keek mij aan. En ze lachte. Niet hard. Niet ongepast. Een korte, eerlijke schaterlach. En toen, even later, omdat ze de pretentie van een verpleegkundige bewaarde, zei ze: "Dat is een goed teken."

Het was waarschijnlijk geen goed teken. Het was eerder een waarschuwingssignaal — dat ik, ondanks de monitor naast mij, alweer aan het optreden was. Maar zij had gelijk in een diepere zin dan ze bedoelde. Want ik kon nog lachen. En zolang ik nog kon lachen — al was het om mezelf — was er nog iets te doen.

Daar staat dit hoofdstuk over. Niet over humor als grap. Over humor als zuurstof.

* * *

Wat humor doet als al het andere uitvalt

Ik ben opgegroeid in een gezin waarin humor een werktuig was. Niet altijd vriendelijk. Niet altijd verfijnd. Mijn vader had een Westfriese droogheid die soms hard aankwam. Mijn moeder had een lach die diep ging en alles wegspoelde. Mijn broer en ik leerden vroeg dat een geintje het halve werk is — en dat de andere helft van het werk soms uit het geintje pas naar boven komt.

In de Plaud-opnames van de afgelopen anderhalf jaar — bijna zestig stuks, sommige drie minuten, andere drie uur — staat een patroon dat ik nu pas zie. Het zwaarste materiaal wordt verteld met de grootste lach. Een suïcidepoging beschrijven in tegenwoordige tijd kan ik niet zonder een grap. Een sterfbed bespreken kan ik niet zonder een knipoog. Niet uit afweer. Of niet alleen uit afweer. Uit een soort fysieke noodzaak.

Mijn lichaam heeft op een gegeven moment uitgevonden dat lachen je hartslag verlaagt op een manier die geen ander gedrag bij mij doet. Lachen activeert de ventrale vagus — Stephen Porges' veiligheidsstand. Lachen verlaagt cortisol. Lachen brengt zuurstof door snelle uitademing. Lachen is, biologisch gezien, een rationale fysiologische respons op bedreiging — alleen werkt het bij ons mensen ook tegen psychologische bedreiging.

Dat is geen ontkenning van de pijn. Dat is een ademhalingsoefening met ongepaste timing.

"In elk geintje zit een seintje"

Mijn moeder zei dit altijd. Mijn vader ook. Het is een Nederlands spreekwoord dat ik, achteraf, een van de slimste in onze taal vind. Beter dan het Engelse "many a true word is spoken in jest" — dat te lang is en te beleefd. In elk geintje zit een seintje is acht woorden, één rijmpje, en het pakt iets dat veel zelfhulpbibliotheek niet pakt: een grap is een woordkanaal voor iets dat anders niet door de douane mocht.

Mijn meest gebruikte grap in de afgelopen jaren is variatie op: "ik vergeet alles, behalve mijn problemen." Het is een grap. Ik bedoel hem als grap. Maar het seintje is glashelder: ik klamp me vast aan de pijn omdat de pijn mijn identiteit is geworden. Dat is geen leuk seintje. Dat is een diagnose verpakt als grappig zelfverwijt.

Een tweede die regelmatig terugkeert: "Mijn favoriete weertype is regen en zonneschijn tegelijk." Iedereen lacht — want dat is paradoxaal. Het seintje: ik kan vreugde niet voelen zonder verdriet erin. Ik heb beide tegelijk nodig, want apart voelen ze allebei onecht.

Wie naar zijn eigen humor kan luisteren als naar een patiënt, hoort meer dan wie naar de woorden van die patiënt luistert.

De IT-architect die zijn eigen psyche debugt

Mijn dagelijkse werk — naast dit boek — is dat van enterprise architect. Ik bekijk grote organisaties, hun systemen, hun processen, hun afhankelijkheden, en ik zoek waar het foutloopt. Niet noodzakelijk waar het kapot is — vaak waar het structureel zal stuk gaan, ook al ziet niemand het nog.

Dat is een vaardigheid die je leert. En een vaardigheid die je niet uit kunt zetten als de werkdag voorbij is.

Wat ik dus thuis ook doe is mezelf als systeem bekijken. Welke processen lopen er parallel? Waar zit een race condition? Waar staat een service in een lus? Welke gebruiker (welk deel van mezelf) krijgt steeds een timeout omdat een andere gebruiker (een ander deel van mezelf) alle bandbreedte opslokt?

Ironisch genoeg is dat één van de meest helpende denkwijzen die ik heb. Want het maakt me niet één persoon met problemen. Het maakt me een systeem met componenten die elk hun eigen functie hebben. En in een systeem kun je iets veranderen zonder dat het identiteitsverlies is. Een service uitschakelen is geen amputatie — het is configuratie.

Of zoals ik tegen een therapeut ooit zei: "Ik denk dat ik aan een feature freeze toe ben. Geen nieuwe functionaliteit. Onderhoud."

Hij begreep het. Twee jaar later begreep ik wat ik gezegd had.

Mini-college — humor als regulatiestrategie

De psycholoog Rod Martin onderscheidt vier humor-stijlen: affiliative (verbindend, gericht op anderen), self-enhancing (jezelf op een goede dag houden), aggressive (humor ten koste van anderen), en self-defeating (humor ten koste van jezelf).

De eerste twee correleren met betere psychische gezondheid. De laatste twee met slechtere. Dat is op groepsniveau wat het onderzoek aangeeft.

Mijn humor zit ergens tussen self-enhancing en self-defeating. Veel grappen ten koste van mezelf. Tegelijk gebruik ik die grappen om te overleven — niet om verder te zinken. Dat is een precaire categorisatie. Het verschil tussen "ik trek mezelf met humor uit het moeras" en "ik bevestig met humor mijn waardeloosheid" zit in toon, in publiek, in motief.

Een snelle test: als ik straks niet meer kan lachen om wat ik nu zeg, was dit dan zuurstof of zelfverbranding?

Bij gallows humor — galgenhumor, het soort dat ambulanceverpleegkundigen onderling delen, dat oorlogsfotografen onder elkaar uitwisselen, dat oncologen op de gang gebruiken — werkt het volgens onderzoek goed mits er ook ruimte is voor ernst. Wie alleen lacht en nooit ernstig wordt, ontwikkelt op den duur empathie-erosie. Wie alleen ernstig is en nooit lacht, brandt op.

EN-EN ook hier. Lachen én ernst. Niet één van de twee, en niet om-en-om. Allebei tegelijk, op verschillende plekken in de dag.

Pikzwarte humor over wat heilig zou moeten zijn

In sommige tradities wordt humor over heilige onderwerpen als godslastering gezien. In de joodse traditie is het omgekeerde de norm. Joodse humor over de Holocaust, over God die niet luistert, over de eigen ellende, is een gedocumenteerde overlevingsstrategie van duizend jaar diaspora.

Ik ben niet joods. Ik ben opgegroeid in een rooms-katholiek nest waaruit later allerlei dingen zijn weggesijpeld behalve het askruisje op Aswoensdag. Maar ik heb de joodse humor over heilige dingen wel als richtsnoer aangenomen. Niets is heilig genoeg om er geen grap over te kunnen maken. Dat klinkt brutaal. Het is dat niet. Het is een vorm van eerbied die net wat anders werkt dan stilte.

Een grap over de dood is geen ontkenning van de dood. Soms is een grap over de dood het enige moment waarop iemand de dood écht onder ogen ziet — omdat de grap een safe space schept waarin het onuitspreekbare uitspreekbaar wordt.

Mijn vader heeft, een paar weken voor zijn overlijden, gegrapt over zijn eigen begrafenis. "Niet te veel mensen. Anders is het straks druk en kunnen we niet praten." Hij stierf met humor. Dat was geen ontkenning. Dat was, op zijn manier, het accepteren ervan, en mij meegeven dat ik niet hoefde te overdrijven.

Niemand zingt Hurt na Johnny Cash. Niemand grapt over zijn eigen begrafenis na Jan Glebbeek.

De ironie van zelfhulp

Ik schrijf een boek dat in een zelfhulpschap zal eindigen — daar moet ik niet aan voorbij. En ik weet wat er in zelfhulpboeken meestal niet staat: dat zelfhulp grotendeels niet werkt voor wie hem echt nodig heeft.

De meeste mensen die zelfhulpboeken kopen, zijn al redelijk goed gehecht, redelijk geletterd, redelijk in staat om hun emoties te ordenen. Voor hen geeft zelfhulp een handvat, een woord, een metafoor die ze in hun bestaande vaardigheden inpassen. Voor wie echt op de bodem zit — wie te bang is om uit bed te komen, wie zijn telefoon niet meer aandurft, wie zijn post niet meer opent — is een zelfhulpboek niet de oplossing. Die heeft een mens nodig. Een lichaam. Een team. Een opname desnoods.

Dit boek probeert daar tussen te zitten. Niet als oplossing voor wie aan de bodem zit. Wel als gezelschap voor wie er aan ontsnapt is en het wil terugzien.

En die paradox is, op zichzelf, een grap waar ik dagelijks om lach: een vermijdend gehechte man met een diagnose van persoonlijkheid met narcistische trekken schrijft een boek over levenskunst. Wat ben ik in godsnaam aan het doen.

Ondertussen schrijf ik het wel.

📖 LEES

Het ziekenhuisbed na de poging. De grap over het ego. De verpleegkundige die lacht. Cabaret als therapie. In elk geintje zit een seintje. De IT-architect die zijn eigen psyche debugt. Een vader die grapte op zijn sterfbed.

🔬 WEET

Rod Martin: vier humor-stijlen (affiliative, self-enhancing, aggressive, self-defeating) — de eerste twee gezond, de laatste twee risicovol, maar het verschil zit in toon en context. Gallows humor in hulpverlening: werkt mits er ook ruimte voor ernst is. Lachen verlaagt cortisol, activeert de ventrale vagus (Porges), versterkt sociale verbinding (Provine, Laughter: A Scientific Investigation).

🎬 GENIET — film

Man on the Moon — Miloš Forman (1999). Jim Carrey als Andy Kaufman, de comedian die nooit zei wanneer hij gestopt was met optreden. Kaufman was een tragedie verpakt als grap. Carrey, die de rol vlak na zijn eigen depressie aannam, lijkt in elke scène alsof hij niet meer goed weet wie hij zelf is.

Alternatief: Amélie — Jean-Pierre Jeunet (2001). De wereld mooier maken door perspectief te verschuiven. Amélie is geen humor-film in stricte zin, maar haar manier om door het leven te bewegen — kleine grappen, kleine geheimen, kleine verzetjes — is precies wat humor als zuurstof betekent.

🎵 LUISTER — muziek

Take On Me (MTV Unplugged) — a-ha (2017). Dezelfde song als in 1985, andere laag. De originele versie is pop — hard, snel, perfect. De unplugged versie is kwetsbaar — Morten Harket die op zijn zestigste de hoge noot net niet meer haalt en hem toch zingt. Eén nummer, twee waarheden. Dat is humor: dezelfde werkelijkheid, anders bekeken.

🧩 PUZZEL

De paradox van de comedian. Stelling: wie het hardst lacht, lijdt het meest. Klopt dat logisch? Nee — generalisatie. Klopt het statistisch? Onderzoek bij Britse comedians (Ando, Claridge, Clark, 2014) toont hoge scores op schizotypische trekken — meer dan controlegroep. Klopt het causaal? Dat is moeilijker — leidt het lijden tot humor, of trekken mensen die al humor hebben het werk aan?

Vraag: geldt deze paradox ook voor jou? Lach jij makkelijker wanneer het slecht gaat dan wanneer het goed gaat?

🔧 DOE — oefening

Elke dag slingers ophangen. Soms wat lager. Letterlijk: hang elke dag iets feestelijks in je leven. Een liedje dat je opzet voor de eerste koffie. Een grap die je tegen jezelf maakt in de spiegel. Een moment van absurditeit — een dansje in de keuken — als niemand kijkt. Op slechte dagen mogen de slingers laag hangen: ik ben er nog is genoeg. Op goede dagen mogen ze hoog. Maar elke dag hang je iets op. Anders vergeet je dat je een huis bent waarin het feestelijk mag zijn.

✍️ SCHRIJF — reflectievraag

Wanneer was de laatste keer dat je lachte om iets dat eigenlijk niet grappig was? En wat zei die lach over wat je voelde?

Een man die zichzelf niet uit kan lachen, krijgt zichzelf nooit te zien. En een wereld zonder humor — pikzwart of niet — is een wereld waarin de zuurstof langzaam op raakt. Niet door de pijn. Door het ontbreken van een ademhaling die langer is dan de inademing.

Lachen is een lange uitademing met geluid. Daar staat dit hoofdstuk over.

Hoofdstuk 6 gaat over wat er gebeurt als je, ondanks alles, elke dag op moet staan en moet werken alsof er niets aan de hand is. Hoe je leert ademen zonder lucht. En waarom dat geen heldhaftigheid is — maar nood.

← Terug naar (over) leven